Zachte Heelmeesters

Zienswijze van het Brabants Burgerplatform op de ontwerp omgevingsvisie van de provincie Noord Brabant.

Op basis van het ‘voorontwerp van de provinciale omgevingsvisie’, hebben we in onze eerdere reactie “Naar een Brabantse Brandaris[1],  een aantal voorstellen gedaan om deze visie aan te vullen, aan te scherpen, maar vooral te verduidelijken. We misten in het voorontwerp een helder beeld over de aanpak van de risico’s, de schade en de overlast van de te intensieve veehouderij. Er werden in het voorontwerp een aantal stip-op-de-horizon-achtige vergezichten geschetst, maar een duidelijke visie op hoe de negatieve effecten van deze plattelandsindustrie ondervangen, gerepareerd en naar de toekomst toe voorkomen zouden gaan worden, kwam nauwelijks uit de verf. 

Zelf touwtjes in handen

Het doet ons goed dat een deel van onze verbetervoorstellen verwerkt is in het huidige ontwerp. Ons vuurtoren-signaal is opgepakt. In de visie wordt nu bijvoorbeeld de rol van de provincie om “richting te geven” expliciet benoemd. De woordkeus is helderder, de toon is ook stelliger. De inhoud van de visie zelf blijft daarbij echter op dit punt schromelijk achter. En dat terwijl de veehouderij-problematiek toch hét majeure minpunt is van het Brabantse platteland. Een probleem, waarbij we – in tegenstelling tot de klimaat-malaise – bovendien zelf de belangrijkste touwtjes in handen hebben. We houden dan ook flink wat vraagtekens en uitroeptekens bij deze nieuwe versie. Want het voornaamste bestanddeel van deze visie blijft toch het grenzeloos vertrouwen in het innovatief vermogen van Brabant dat als Haarlemmerolie de op alle fronten verziekte Brabantse veehouderij weer gezond zou moeten kunnen maken.

Behoud van ellende

Tegelijk roept de nieuwe versie van deze visie op dit terrein ook weer nieuwe vraagtekens op. Want één van de expliciet genoemde verbeterpunten bij de herziening van  de voorontwerp-visie naar ontwerp-visie, is de verduidelijking van het trio veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit als essenties van het uitgangspunt dat vóór alles de basis op orde is[2]. Het is echter ronduit bedroevend om dan te lezen hoe laag de lat hierbij wordt gelegd: Het is de ambitie om [pas]  in 2030 een aanvaardbaar leefklimaat te hebben, waarbij we voldoen aan de wettelijke normen en er wordt op gemikt om [pas] in 2050 een goed leefomgevingsklimaat te hebben, waarbij we bovenwettelijk scoren. Ook elders wordt gesteld “dat [pas] in 2050 de bestaande problemen met de fysieke leefomgeving zijn opgelost. De landbouw produceert op een duurzame manier […]De bodem-, water- en luchtkwaliteit zijn weer gezond.” Dat betekent dus nog zo’n dikke dertig jaar behoud van ellende. Dat betekent dat er nog een hele generatie Brabanders op het platteland blootgesteld wordt aan een overdosis stank, fijnstof en alles wat daar aan micro-organismen op meelift.

De heilige koe van Brabant

Eerder werd bij de verbeterpunten voor de herziening van voorontwerp naar ontwerp, het voornemen genoemd om vanuit het perspectief van sociale inclusiviteit de menselijk leefwereld centraal te stellen in plaats van het kale fysieke aspect of de kille regelgeving. Maar waar op andere beleidsterreinen concreet man en paard worden benoemd om de visie vlees en bloed te geven, worden rondom de problemen van de veehouderij mogelijke oplossingen die daadwerkelijk soelaas zouden kunnen bieden, als een heilige koe op kousevoeten omzeild. Waar elders gehamerd wordt op rond, breed en diep beleid, wordt hier ingezet op smalspoor beleid om met technologische innovaties het tij te keren. Terwijl we uit ervaring weten dat de technologische oplossingen de pijn slechts kunnen verzachten, en we ook weten dat we daarmee een papieren werkelijkheid creëren, die keer op keer een prikkel blijkt te zijn voor nog meer averechtse boerenslimmigheid.

Groot genoeg – klein genoeg

Met innovatieve pleisters kunnen we de negatieve effecten van de te intensieve veehouderij misschien dempen. Maar dan is er altijd inzet, onderhoud, controle en handhaving nodig. Innovatie is goed, maar met innovatie alleen lossen we het probleem niet duurzaam op. Daarvoor is een aanpak bij de bron nodig, zoals in deze visie door de provincie zelf ook gesteld wordt bij de kernwaarden voor haar handelen. Een dergelijke fundamentele aanpak ontbreekt echter. Het uitgangspunt ”de basis op orde, als voorwaarde om de hoofdopgaven te kunnen realiseren” en hoge woorden over duurzaamheid en circulariteit als adagium voor nieuwe ontwikkelingen, maken forse krimp van de veestapel echter even noodzakelijk als onvermijdelijk. Op het beschikbare areaal platteland in Brabant kan op circulaire basis slechts een beperkt aantal boeren een beperkte veestapel aanhouden. Groot genoeg om in ieder geval te voorzien in de krimpende behoefte aan dierlijke producten van alle Brabanders en wat Randstad. Groot genoeg om het leeuwendeel van de afvalstromen rond ons voedingspatroon om te zetten in dierlijk eiwit. Groot genoeg om voldoende mest te produceren om onze eigen bodem weer in balans te krijgen en te houden. Maar klein genoeg om de basis-opgave te kunnen realiseren dat de kwaliteit van de lucht, van ons grondwater en van onze leefomgeving ook weer op orde komt.

Noodzakelijke ingreep

Dat betekent wel dat de er een heldere visie geformuleerd moet worden, waarin definitief afgerekend wordt met het woekerend gezwel van de boventallige veestapel die de gezonde leefomgeving van burgers op het Brabantse platteland al jarenlang in de weg staat. Dat is een ingrijpende, maar noodzakelijke operatie. In lijn met de basisgedachte in deze visie van waardencreatie, moeten we naar een compleet herontwerp van het boerenbedrijf in Brabant. De kiemen daarvoor beginnen thans her en der wortel te schieten in coöperatieve initiatieven, in consumenten-collectieven en in marktgerichte pilots die daadwerkelijk bijdragen aan de meerwaarde van biologische, natuur-inclusieve of circulaire streekgebonden boerenbedrijvigheid.

Ruim baan voor boer-van-de-toekomst

Vanuit de provincie moet zo’n boer-van-de-toekomst op het platteland exclusief ruim baan geboden worden om de natuurlijke balans te herstellen. Tegelijkertijd moeten alle wissels óm op het spoor van industriële veehouderij met de bedoeling een duidelijk halt toe te roepen aan de verdere groei van de rücksichtslose productie voor de internationale markt van zoveel mogelijk kilo’s tegen zo laag mogelijk kosten. Het moet van nu af aan anders. Voor deze veestapel is geen plaats meer op ons platteland. Industriële veehouderij hoort, zolang er nog ondernemers zijn die daar in geloven, enkel thuis op een industrieterrein, waar de logistieke aan- en afvoerlijnen aansluiten bij hun behoefte aan bulk.

Sanering

Een volgende stap is de sanering van de veehouderij. Te beginnen met het stimuleren van nieuwe – gewenste – perspectieven voor boerenbedrijvigheid op het platteland. Deze alternatieven moeten  gekoppeld worden aan gerichte krimp in de grootste knelpunten in de veedichte gebieden. Dat vraagt ook om een heldere visie. En om nieuw beleid. We gaan immers niet dweilen met de kraan open. En daarbij hoort een investering. Want een warme sanering van de sector kost geld. En het broodnodige herstel van de gezondheid van bodem, lucht en water gaat ook niet vanzelf. Dat betekent een aderlating. Maar we hebben dit als Brabanders binnen ons democratisch systeem zelf zover uit de hand laten lopen. Dus zullen we het ook zelf weer in moeten perken. Want problemen die je samen laat ontstaan, moet je ook samen oplossen. Maar het helpt ook als we alle provinciale, nationale en Europese landbouwsubsidies benutten voor deze warme sanering.

Het begin is gemaakt   

Er is gelukkig een begin gemaakt. De provincie heeft al eerder de moed gehad, om de groei van het staloppervlak per saldo een halt toe te roepen. Tegelijk zijn er ook vergaande maatregelen afgekondigd om de stikstof-emissie te beperken. En men heeft tussen de regels door toch een beeld voor ogen van een transitie naar een nieuwe circulaire landbouw, waarin de natuurlijke balans wél bewaard wordt en waar op een gezond boerenbedrijf een eerlijke prijs voor een eerlijk product wordt verdiend. Laten we die visie helder formuleren. Dan krijgen we een duidelijk beeld voor ogen. Een toekomst waar we samen voor kunnen én willen gaan. Op ons kun je rekenen.

18 mei 2018, namens het Brabantse Burgerplatform,

Maria Berkers                             Cyril Hoevenaars                        Geert Verstegen         Frank van den Dungen

[1] Deze eerdere reactie is te vinden op: http://www.minder-beesten.nl/bijdrage-aan-richtinggevende-provinciale-visie-op-leefomgeving/

[2] Er wordt in deze visie verbaal gelaveerd tussen “de basis op orde krijgen”, “de basis op orde hebben”, en “de basis op orde houden”. We zouden blij zijn met een realistisch streven ervoor te zorgen dat de basis op orde komt.